Lalea

The most common words of a language

Choose the language you learn and the language of translation: the most common words with a picture, a translation, the meaning and examples.

  1. daardaarthere
  2. tochstill, yet
  3. meealong, with
  4. kijkenkijkento look, to watch
  5. zoalszoalsas, like
  6. mogenmogento be allowed to
  7. ietsietssomething
  8. omdatomdatbecause
  9. toentoenthen, when
  10. vraagvraagquestion
  11. vrouwvrouwwoman
  12. werkenwerkento work
  13. julliejullieyou (plural)
  14. tijdenstijdensduring
  15. wiewiewho
  16. staanstaanto stand
  17. gewoongewoonordinary, normal
  18. altijdaltijdalways
  19. langlanglong
  20. tussentussenbetween
  21. gebruikengebruikento use
  22. kindkindchild
  23. jajayes
  24. waaromwaaromwhy
  25. plaatsplaatsplace
  26. mooimooibeautiful
  27. horenhorento hear
  28. liggenliggento lie
  29. uuruurhour
  30. deeldeelpart
  31. allesalleseverything
  32. netneat
  33. viaviavia, through
  34. keerkeertime, occasion
  35. evenbriefly, a moment
  36. terugterugback
  37. éénéénone
  38. affinished, done
  39. zonderzonderwithout
  40. beginnenbeginnento begin, to start
  41. wegwegroad
  42. oudoudold
  43. landlandcountry
  44. zoekenzoekento search
  45. steedsalways, increasingly
  46. snelsnelfast
  47. fotofotophoto
  48. eigeneigenown
  49. vallenvallento fall
  50. iemandiemandsomeone
  51. iedereeniedereeneveryone
  52. brengenbrengento bring
  53. elkelkeach, every
  54. ververfar
  55. laatlaatlate
  56. kleinkleinsmall
  57. binnenbinneninside
  58. uwuwyour (formal)
  59. werkwerkwork, job
  60. ergergvery
  61. huishuishouse
  62. nooitnooitnever
  63. weekweekweek
  64. spelenspelento play
  65. lopenlopento walk
  66. stadstadcity
  67. zettenzettento put, to set
  68. driedriethree
  69. zelfoneself, myself
  70. lijkenlijkento seem
  71. leukfun, nice
  72. helpenhelpento help
  73. aantalaantalnumber, amount
  74. samensamentogether
  75. nodignodignecessary, needed
  76. toetoeto, towards
  77. belangrijkbelangrijkimportant
  78. elkaarelkaareach other
  79. vanafvanaffrom, since
  80. lezenlezento read
  81. wantwantbecause, for
  82. zorgzorgcare
  83. zekerzekercertain, sure
  84. allemaalallemaalall, everyone
  85. stellento pose, to put
  86. probleemprobleemproblem
  87. naamnaamname
  88. schrijvenschrijvento write
  89. enkelenkelsingle, only
  90. misschienmisschienmaybe, perhaps
  91. verschillendverschillenddifferent
  92. volgensvolgensaccording to
  93. hooghooghigh, tall
  94. andersdifferently
  95. volgendevolgendenext, following
  96. vaakvaakoften
  97. etenetento eat
  98. graaggladly
  99. wanneerwanneerwhen
  100. bestaanbestaanto exist
  101. nietsnietsnothing
  102. perperper
  103. vandaagvandaagtoday
  104. kennenkennento know
  105. eersteerstfirst
  106. zelfszelfseven
  107. natuurlijknatuurlijkof course
  108. bekendbekendfamous
  109. neeneeno
  110. wereldwereldworld
  111. welkwelkwhich
  112. vriendvriendfriend
  113. meisjemeisjegirl
  114. maandmaandmonth
  115. proberenproberento try
  116. helemaalhelemaalcompletely
  117. paarpaarpair, couple
  118. dooddooddead
  119. volgenvolgento follow
  120. handhandhand
  121. filmfilmmovie
  122. halenhalento fetch
  123. geldgeldmoney
  124. vooralvooralespecially
  125. noemennoemento call, to name
  126. websitewebsite
  127. gebeurengebeurento happen
  128. NederlandsDutch
  129. voelento feel
  130. zaakzaakbusiness, shop
  131. familiefamiliefamily, relatives
  132. achterachterbehind
  133. sindssindssince
  134. zo'nzo'nsuch a
  135. maniermanierway, manner
  136. vertellenvertellento tell
  137. vrijvrijfree
  138. momentmomentmoment
  139. dingdingthing
  140. bijnabijnaalmost
  141. groepgroepgroup
  142. mogelijkmogelijkpossible
  143. schoolschoolschool
  144. lerenlerento learn
  145. autoautocar
  146. nieuwsnews
  147. rondrondround
  148. vroegvroegearly
  149. boekenboekento book
  150. jouwjouwyour

How the lists are made and how to learn with them